De niet zo vlekkeloze geschiedenis van USAID
Honger als opportuniteit, hulp als businessmodel
)
Kandahar, 2012. Een Afghaanse jongen en een Amerikaanse militair, die USAID-werknemers begeleidde bij hun bezoek aan een school in opbouw.
© Andrew A. Nelles/ZUMAPRESS.com
)
Kandahar, 2012. Een Afghaanse jongen en een Amerikaanse militair, die USAID-werknemers begeleidde bij hun bezoek aan een school in opbouw.
© Andrew A. Nelles/ZUMAPRESS.com
De Verenigde Staten zetten begin 2025 de hakbijl in hun grootste ontwikkelingsorganisatie, USAID. Omdat die duur en inefficiënt zou zijn, en vooral omdat de projecten zouden ingaan tegen de Amerikaanse belangen. Nochtans waren de US altijd al belangrijker dan de aid.
Sinds de besparingen op USAID zijn al meer dan 600.000 mensen overleden aan behandelbare ziekten, zo citeert 11.11.11 in haar rapport van eind januari cijfers van Boston University. Volgens The Lancet kan het aantal bijkomende doden tegen 2030 oplopen tot 14 miljoen. Het Institute for Security Studies stelde dat ‘Trumps besparingen op hulp volgend jaar nog eens 5,7 miljoen Afrikanen in extreme armoede kunnen duwen’. En de lijst met verwoestende humanitaire gevolgen is nog veel langer.
‘Kan zijn’, zegt Vijay Prashad, directeur van het Tricontinental Institute for Social Research, maar hij is blij dat het Amerikaanse imperialisme zijn humanitaire arm verliest. Op de vraag waarom antwoordt hij: ‘Landen uit het Globale Zuiden zijn afhankelijk van overheidsmiddelen uit de VS omdat we onze eigen grondstoffen niet controleren en niet zelf de nodige structuren opzetten om belastingen te innen. Wij zouden onze eigen sociale welvaartsstaten moeten financieren in plaats van te hopen op humanitaire budgetten uit Washington.’ Dat was de reden dat de toenmalige Boliviaanse president Evo Morales in 2013 USAID het land uit zette, en waarom zijn Filipijnse collega Rodrigo Duterte in 2017 dreigde hetzelfde te doen.
De sluiting van USAID lijkt niemand onbewogen te laten. Je kan de reacties onderverdelen in vier grote categorieën, schrijft de Indiase onderzoeker Mohammad Amaan Siddiqui: ‘Eerst zijn er de vele reacties van groepen die klagen over het stopzetten van “levensreddende hulp”. Ten tweede zijn er degenen die vrezen dat Rusland of China de leemte zullen vullen die gecreëerd wordt door de beslissing van de VS.’
‘Een derde soort reacties komt van mensen die blij zijn dat er nu minder geld verspild zal worden aan projecten die de Amerikanen toch niet ten goede zullen komen. En ten slotte is er het kamp van degenen die al decennia ijveren voor het opdoeken van USAID omdat de organisatie “onderdeel is van het Amerikaanse imperialisme”.’
Altijd al America First
USAID was al controversieel nog voor de organisatie formeel boven de doopvont gehouden werd op 3 november 1961. Met de oprichting gaf president Kennedy uitvoering aan de Foreign Assistance Act, die een paar maanden eerder, op 4 september 1961, goedgekeurd werd in het parlement. Die wet op buitenlandse bijstand was een poging om eerdere programma’s en initiatieven op één lijn te brengen. Kennedy argumenteerde dat dat nodig was om de middelen efficiënter en effectiever te besteden. En dat was dan weer van belang voor zowel de arme meerderheid in de wereld als voor de Amerikanen.
Kennedy stelde bij de oprichting van het agentschap dat de VS om verschillende redenen moesten doorgaan met hulp aan “onderontwikkelde naties”. Daarbij verwees hij onder andere naar de ‘economische verplichtingen als het welvarendste volk in een wereld van overwegend arme mensen’. Maar tegelijk onderlijnde hij dat ontwikkeling in het Amerikaanse eigenbelang was: ‘Want wijdverbreide armoede en chaos leiden tot het ineenstorten van bestaande politieke en sociale structuren, wat onvermijdelijk zou leiden tot meer totalitarisme in elke zwakke en onstabiele regio. Daardoor zou onze eigen veiligheid in gevaar komen en onze eigen welvaart ondermijnd worden.’

John F. Kennedy en zijn first Lady Jacky in Venezuela, 1961. Ze promootten er een landbouwprogramma onder de Alliance for Progress, die Zuid-Amerikaanse economieën moet “moderniseren”.
© Cecil Stoughton. White House Photographs. JFK Presidential Library and Museum
De toon en de woordkeuze van John F. Kennedy verraden meteen dat USAID opgericht werd in de context van een Koude Oorlog tussen “het Vrije Westen” en “de communistische wereld”. De dekoloniseringsgolf die door Afrika en Azië ging in de decennia na de Tweede Wereldoorlog legde de verarming bloot die het gevolg was van koloniale uitbuiting. Maar hij stelde de nieuwe machthebbers ook in staat om de twee grootmachten van die periode tegen elkaar uit te spelen.
Al was ook dat niet nieuw. In 1949 riep president Harry Truman op om werk te maken van ontwikkelingshulp – de programma’s waren gekend als Point Four Programmes. Hij noemde daarbij twee redenen voor die hulp: ‘Eén: het creëren van markten voor de VS door armoede te verminderen en productie te verhogen in ontwikkelingslanden. En twee: het verminderen van de dreiging van het communisme door landen te helpen floreren onder het kapitalisme.’
Orde, veiligheid en privatisering
Een van de eerste programma’s waarmee USAID uitpakte, en zeker niet het minst controversiële, was de Alliance for Progress. Dat grootschalige programma was op Latijns- Amerika gericht en stond al voor de oprichting van USAID in de steigers. Met een budget van 20 miljard dollar voor tien jaar creëerde de Alliance een krachtige hefboom voor de “modernisering” van de Zuid-Amerikaanse economieën. In concreto hield dat in dat industrieën geprivatiseerd en landhervormingen tegengehouden moesten worden.
In datzelfde eerste decennium van zijn werking financierde USAID onder andere ook de Inter-American Police Academy in Panama. Daar werden politiemensen uit verschillende Latijns-Amerikaanse landen “bijgeschoold” om beter orde en stabiliteit te handhaven. Volgens Buitenlandse Zaken was dat noodzakelijk om de sociale, economische en politieke ontwikkeling van de mogelijk te maken.
In de tweede helft van de jaren 1960 werd die opleiding verzorgd op VS-grondgebied, in de International Police Academy. Daar kwam ook meer nadruk te liggen op inlichtingenwerk en het bestrijden van “interne vijanden”, een codewoord voor linkse of communistische bewegingen.
Die investering in politiewerk kwam als een boemerang terug toen volksbewegingen en studentenbewegingen de extreme ongelijkheid in Latijns-Amerikaanse landen niet langer pikten en op straat kwamen voor structurele veranderingen. De repressie door de ordediensten werd al snel gelinkt aan de Amerikaanse opleidingen. Al is het verre van zeker dat de Latijns-Amerikaanse troepen qua repressie en foltertechnieken veel lessen te leren hadden van hun Yankee-instructeurs.
De programma’s van USAID in Azië waren nog meer dan in Latijns-Amerika bedoeld om de aantrekkingskracht en de verspreiding van het communistische gedachtegoed tegen te gaan. Niet verwonderlijk, uiteraard, want de over-winning van de Communistische Partij in China bracht meer dan één Aziatische leider op ideeën. Tegen het einde van de jaren 1960 had USAID alleen al in Zuid-Vietnam een personeelsbestand van dik tweeduizend mensen. Vietnam was dan ook de grote slokop van ontwikkelingsmiddelen.
Die samenhang tussen buitenlandse interventies en hulp werd trouwens een van de kenmerken van de Amerikaanse ontwikkelingssamenwerking. De vijf landen die tussen 1945 en 2023 de meeste Amerikaanse hulp ontvingen, zowel via USAID als langs andere programma’s, waren Israël, Egypte, het vroegere Zuid-Vietnam, Afghanistan en Zuid-Korea. En in 2023 ging 14,4 miljard van de 18 miljard aan “economische ontwikkelingshulp” naar Oekraïne.
Dergelijke gepolitiseerde en dus oneigenlijke keuzes vertaalden zich in een lange lijst schandalen. Zo investeerde USAID in Afghanistan bijvoorbeeld 1,46 miljard dollar in alternatieve landbouwontwikkeling om de papaverteelt en de opiumeconomie tegen te gaan, met verbeterde irrigatie en andere ingrepen. Het resultaat daarvan bleek een exponentiële verhoging van de opiumproductie.
Die vaststelling kwam overigens niet van tegenstanders van de interventie: het was de inspectiedienst van de Amerikaanse overheid zelf die het narekende.
Hulp als breekijzer
Maar het ging niet louter om politieke regimes, het ging vooral om economie: vrijhandel en toegang tot markten, zoals Truman in 1947 al zei. In 1967, bijvoorbeeld, weigerde USAID voedselhulp aan India, ook al was er sprake van hongersnood in enkele noordelijke deelstaten. Pas toen India toegaf en een liberalisering doorvoerde in de land-bouwsector, kwamen de VS over de brug met graan en landbouwtechnologie – waaronder nieuwe tarwe- en rijstsoorten, kunstmest en pesticides.
De doelstelling was duidelijk: India moest een afzetmarkt worden voor Amerikaanse industriële landbouwproducten. Dat werd een groot succes. De Groene Revolutie die volgde maakte India voedselzeker maar maakte het ook tot een enorme invoerder van Amerikaanse kunstmest en pesticides.
Ook Haïti werd onder druk gezet om zijn markten open te gooien. Dat leidde in de jaren 1980 tot de ineen-storting van de lokale rijstbouw, omdat de ingevoerde, gesubsidieerde rijst goedkoper en aantrekkelijker was.
De agressieve liberaliseringsagenda van de Amerikaanse ontwikkelingshulp bleef overigens niet beperkt tot de Koude Oorlogsjaren. In een USAID-brochure uit 2019 stelde Mark Green, toenmalig hoofd van de organisatie: ‘Feed the Future helpt markten te openen voor bedrijven uit de VS, verbetert de beleidsomgeving voor verantwoorde private investeringen en creëert vraag naar innovaties en expertise uit de VS.’
USAID besteedde projecten bij voorkeur uit aan Amerikaanse privébedrijven. Want ‘projecten zijn in het parlement altijd populairder als het geld terugkeert naar de VS’.
Steeds meer werd de ontwikkelingssamenwerking zelf trouwens geprivatiseerd. Bij het begin van deze eeuw richtte USAID de Global Development Alliance op: ‘Een partnerschap waarin USAID en de privésector samenwerken om marktgebaseerde oplossingen voor ontwikkelingsuitdagingen te ontwikkelen en toe te passen’. Het was de tijd waarin consultants en CEO’s recht in de camera konden kijken en beweren dat ze de sleutel had-den gevonden ‘to do good by doing well’: de wereld redden door winst te maken.
Om dat mogelijk te maken richtte USAID ook een kredietverstrekker op, DCA. Die is vergelijkbaar met onze eigen Credendo (vroeger de Nationale Delcrederedienst), de overheidsorganisatie die op uw radio met een bespottelijk Oxford-accent aankondigt: ‘Turning uncertainties into opportunities!’ Publieke middelen worden gebruikt om de risico’s van privé-investeerders te dekken, waarna de privéondernemingen de winsten vaak verhuizen naar belastingparadijzen. Samantha Power, hoofd van USAID onder president Biden, gebruikte in 2023 zelfs de term ‘hulp-industrieel complex’ om duidelijk te maken dat er met veel te veel grote internationale organisaties en Amerikaanse onderaannemers gewerkt werd.
De privatisering zorgde voor een serie schandalen en een hoop kritiek. Een van de namen die voortdurend opdoken in analyses van wat er fout ging met USAID, is Chemonics International Inc. Deze consultancyfirma kreeg tussen 2008 en 2024 voor meer dan 17 miljard dollar opdrachten toegewezen door USAID. Chemonics was onder andere de uitvoerder van USAID-hulp na de aardbeving in Haïti in 2010. De firma wierf daarbij minder lokale medewerkers aan dan voorzien en kreeg toch een uitbreiding van het contract met 53 miljoen dollar, om 141 bijkomende projecten uit te voeren.
Chemonics was ook de hoofdcontractant voor een mega-project dat voor eens en altijd de aanvoer van medische voorraden naar een aantal landen moest regelen. Totaalbudget: 9,5 miljard dollar. Na twee jaar bleken de doelstellingen wat timing en levering betreft totaal niet gehaald te worden, maar dat belette USAID niet om het contract met Chemonics met twee jaar en 2 miljard dollar te verlengen.
Andere bekende namen onder de privé-uitvoerders van Amerikaanse “ontwikkelingshulp” zijn Bechtel en Halliburton, twee van de bedrijven die nog voor de inval in Irak in 2003 uitgekozen werden voor heropbouwprojecten.
Bechtel had in de jaren 1990 al een elektriciteitsbedrijf helpen opzetten in de Indiase deelstaat Maharashtra, om zo de energiemarkt open te breken en klaar te maken voor privatisering. En in 1999 tekende de firma een contract met toenmalig Boliviaans dictator Hugo Banzer om de drinkwatervoorziening in Cochabamba te privatiseren. Dat project werd, door protesten over de forse stijging van de prijzen, snel opgedoekt.
De idee dat privébedrijven altijd efficiënter werken, wordt talloze keren tegengesproken. Zo beschreef Amerikaans senator Byron Dorgan ooit een eenvoudig project dat moest zorgen voor airconditioning in een gebouw in Bagdad. Die opdracht werd uitbesteed, waarna ze naar een onderaannemer ging, die nog iemand anders contracteerde om het uit te voeren. Waarna die laatste een ventilator aan het plafond liet hangen. Er was betaald voor een aircosysteem, maar ‘het geld ging als ijsblokjes van de ene hand naar de andere’, zei Dorgan.
De Amerikaanse regering wil wél de hulp stopzetten, maar niet de jarenlang opgebouwde architectuur van afhankelijkheid.
Toch bleef USAID meestal bij de keuze om projecten bij voorkeur uit te besteden aan privébedrijven. Want ‘projecten zijn in het parlement altijd populairder als het geld terugkeert naar de VS’, zegt een anonieme parlementaire medewerker in een artikel voor New Lines Magazine in 2023. Meer dan 85 procent van de onderaannemers van USAID waren bedrijven uit de VS.
In Senegal werden Amerikaanse aannemers wél bedankt voor hun diensten in de scholenbouw en ging USAID in zee met de Senegalese overheid. Een door Amerikanen gebouwde school kostte de organisatie 425.000 dollar, een door Senegalezen gebouwde school niet meer dan 200.000 dollar.
Afhankelijkheid blijft
Waren we verrast toen Musk en Trump met de sloophamer door de internationale hulpprogramma’s gingen?, vroeg ontwikkelingsstrateeg Ali Al Mokdad zich vorig jaar af. Neen, antwoordt hij zelf. ‘We wisten het. We zagen het aankomen. We hadden jaren om ons voor te bereiden, maar we hielden het comfortabel – genietend van de workshops, de lounges, de theorieën. En nu houden we de gebroken onderdelen in onze blote handen en proberen we betekenis te geven aan wat altijd voorwaardelijk was.’
In een lange en emotionele reactie op het wegvallen van de Amerikaanse hulp schreef Al Mokdad nog: ‘Dit gaat niet over USAID. Het gaat niet over donoren die hun fondsen verlagen. Het gaat niet over de VN of internationale ngo's die personeel ontslaan en projecten stopzetten. Het gaat over de architectuur van afhankelijkheid die we partnerschap bleven noemen.’
Het slechte nieuws is dat de Amerikaanse regering wél de hulp wil stopzetten – de anticonceptie, de aidsbehandeling, de zorg voor meisjes en vrouwen in conflictgebieden, de strijd tegen malaria – en zeker ook de partnerschappen, maar niet die “architectuur van afhankelijkheid”.
Begin 2026 kondigde het Witte Huis aan dat de VS zich terugtrekken uit 66 internationale organisaties, waaronder Unctad (de VN-organisatie voor Handel en Ontwikkeling), UN-Habitat (de VN-organisatie voor menselijk wonen), UNFPA (het VN-Bevolkingsagentschap) en Global Forum on Migration and Development.
Deze exit werd voorafgegaan door de aankondiging, eind december 2025, van een nieuw Memorandum of Understanding tussen de VS-regering en de VN, waarbij de VS alvast 2 miljard dollar per jaar toezeggen om ‘tientallen miljoenen mensen te behoeden voor honger, ziekte of de verwoestingen van oorlog.’ Deze nieuwe manier van werken laat de Amerikaanse regering toe te kiezen naar welke landen de middelen gaan. Een lijst van 17 landen werd bekendgemaakt, maar Afghanistan en Jemen zijn daar niet bij.
Jeremy Lewin, een hoge ambtenaar op het departement Buitenlandse Hulp, Humanitaire Zaken en Religieuze Vrijheid, verduidelijkte nog dat dit nieuwe opzet ervoor moest zorgen dat ‘elke dollar belastinggeld die uitgegeven wordt aan humanitaire hulp zowel de Amerikaanse nationale belangen dient als de grootst mogelijke levensreddende impact realiseert.’
Daarmee lijken MAGA-Republikeinen en pro-USAID-Democraten op dezelfde lijn te zitten, want vorig jaar schreef de Democratische senator Andy Kim op X: ‘USAID is geen liefdadigheidsinstelling. Het is een instrument van buitenlands beleid (...) dat cruciaal is in deze gevaarlijke mondiale omgeving. Dat ontmantelen betekent ook het ontmantelen van onze mogelijkheid om te concurreren en Amerika veilig te houden.’
Duikt Europa in het gat dat USAID achterliet?
Deze analyse werd geschreven voor MO*159, het lentenummer van MO*magazine. Vind je dit artikel waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.
Lees meer
Word proMO*
Vind je MO* waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.
Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.
Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.
Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.
Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief
Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.
Per maand
€4,60
Betaal maandelijks via domiciliëring.
Meest gekozen
Per jaar
€60
Betaal jaarlijks via domiciliëring.
Voor één jaar
€65
Betaal voor één jaar.
Ben je al proMO*
Log dan hier in




:format(png))



