Pionier in groene energie, verslaafd aan olie

Analyse

Olie-industrie heeft Spanjes groene agenda in een houdgreep

Pionier in groene energie, verslaafd aan olie

een rij windmolens op een heuvelrug ergens in Spanje
een rij windmolens op een heuvelrug ergens in Spanje

Lex Rietman

05 juni 202613 min leestijd

Spanje valt internationale lof ten deel als pionier van de duurzame energie. Onder de regering van Pedro Sánchez (PSOE) breekt de productie van groene stroom record na record. Maar zijn aanpak van de olieverslaving laat veel te wensen over.

Dissident Spanje?

Spanje wordt vaak gezien als een afwijkende stem binnen Europa. Het land van premier Pedro Sánchez voert een milder migratiebeleid en spreekt zich regelmatig uit over mensenrechten, vrede en internationaal recht. Tegelijk bevindt Spanje zich intern in een evenwichtsoefening: de opmars van extreemrechts, regionale spanningen en de druk van Europese afspraken. In dit dossier onderzoekt MO* of de Spaanse koers echt zo sterk afwijkt van die van de rest van Europa.

‘Wat ons op dit moment redt, is ons energiebeleid.’ Drie weken na het begin van de aanvallen van Israël en de Verenigde Staten op Iran prijsde Pedro Sánchez zich gelukkig. Relatief gelukkig dan, want de Spaanse premier was niet blij met die oorlog. Als geen andere westerse leider had hij van meet af aan de Amerikaans-Israëlische agressie veroordeeld voor wat ze was: een schending van het internationaal recht.

Intussen was het wel duidelijk dat de oorlog tegen Iran geen kwestie van een paar dagen of hooguit enkele weken zou zijn, zoals de Israëli's hun Amerikaanse vriend Donald Trump hadden voorgespiegeld. Iran is geen Venezuela. Ze hebben allebei olie, maar daarmee houdt de vergelijking op.

En zo ontdekte de wereld de Straat van Hormuz, en vooral wat het betekende als die op slot zat. De internationale energieprijzen schoten omhoog. Zelfs pyromaan Trump leek zich zorgen te maken om wat hij had aangericht, al was het maar omdat er in het najaar tussentijdse verkiezingen op de agenda staan. Amerikaanse kiezers liggen niet wakker van gebombardeerde scholen en ziekenhuizen in Iran, maar wel van hogere prijzen aan de benzinepomp.

Tegen deze achtergrond sprak Pedro Sánchez op de Europese top van maart in Brussel over het Spaanse energiebeleid. ‘Spanje is beter voorbereid op de huidige energieschok dan bijna eender ander land in onze omgeving’, zei hij. Om die bewering te onderbouwen, haalde hij de stroomprijs van de zaterdag voordien aan: 14 euro per megawattuur in Spanje tegenover meer dan honderd euro in Italië (141 euro), Duitsland (120) en Frankrijk (109). Een nogal willekeurige greep, maar feit is dat de stroomprijs in Spanje structureel lager is dan elders in Europa. Portugal is de uitzondering, want in het Iberische buurland is de groothandelsprijs gekoppeld aan de Spaanse.

Spanje heeft de voorbije decennia volop ingezet op hernieuwbare energie. Dit beleid kreeg een nieuwe impuls toen Sánchez, een sociaaldemocraat, in 2018 aantrad als regeringsleider. Terwijl andere Europese landen zich gingen herbezinnen over kernenergie en er internationaal steeds meer aan klimaatdoelstellingen gemorreld werd, ging Spanje stug door met de uitbreiding van de opwekkingscapaciteit van wind en zon. Onder Sánchez is energiepolitiek een van de terreinen geworden waarop het land een eigen, afwijkend geluid laat horen.

Het levert tastbare resultaten op. Hernieuwbare bronnen – wind, zon en waterkracht – zijn inmiddels goed voor zestig procent van de Spaanse elektriciteitsproductie. En bijna nergens in de EU is elektriciteit zo goedkoop als in Spanje.

Pioniersrol

Het land heeft inmiddels een reputatie verworven als pionier van de duurzame energie. ‘Spanje is een leider, niet alleen in de Europese Unie maar ook wereldwijd, als het gaat om de vermindering van uitstoot van broeikasgassen en transitie naar hernieuwbare energie’, zei VN-klimaatchef Simon Stiell onlangs aan de krant El País. ‘Dit leiderschap is een voorbeeld dat anderen zouden moeten volgen.’

Tot voor kort was deze pioniersrol ondenkbaar. Aan het eind van de vorige eeuw stelde het aandeel van hernieuwbare bronnen in de Spaanse stroomproductie weinig voor. En dat terwijl waterkrachtcentrales van oudsher toch van groot belang waren geweest. In 1940 werd ruim negentig procent van de stroom opgewekt door turbines in de stuwmeren.

Door de opkomst van kolen-, gas- en kerncentrales liep het aandeel van waterkracht langzaam maar zeker terug tot 18 procent in 2001. Daarmee was het dieptepunt bereikt. Na de eeuwwisseling werden nieuwe technologieën van duurzame stroomopwekking ingevoerd.

Aanvankelijk was dat vooral windenergie. Maar al snel verrezen ook grootschalige zonneparken in het uitgestrekte binnenland van Spanje. Er was volop ruimte, zon en wind. En bovendien kregen producenten van hernieuwbare energie tussen 2007 en 2013 een door de staat gegarandeerde opbrengst die ver boven de marktprijs lag. Het leidde tot een spectaculaire groei, gedomineerd door het oligopolie van traditionele stroomgiganten als Iberdrola, Naturgy en Endesa. Tussen 2008 en 2013 verdubbelde het aandeel van duurzame bronnen in de Spaanse elektriciteitsmix van twintig tot veertig procent.

De snelle opmars van duurzame energie kwam grotendeels tot stand onder de sociaaldemocratische regering van José Luis Rodríguez Zapatero. Maar toen de rechtse Partido Popular eind 2011 aan de macht kwam, begon het tij te keren. Een omstreden “zonnetaks” van premier Mariano Rajoy ontmoedigde de installatie van zonnepanelen door particulieren. De uitbreiding van hernieuwbare energie kwam tot stilstand, en in 2019 was het aandeel van hernieuwbare bronnen in de stroomproductie gedaald tot 37 procent. Met het aantreden van Pedro Sánchez in 2018 kreeg de groene agenda opnieuw voorrang in het Spaanse energiebeleid.

Een decreet uit 2019 draaide de zonnetaks om. In plaats van stroomleveringen door particuliere installaties aan het net te belasten, werden burgers juist financieel gestimuleerd hun eigen stroom op te wekken en overschotten aan het net te leveren.

Twee jaar later nam het Spaanse parlement voor het eerst een klimaatwet aan. Doel daarvan is uitvoering te geven aan het Klimaatakkoord van Parijs. In 2050 zou de volledige decarbonisatie van het land voltooid moeten zijn. De wet verplicht gemeenten lage-emissiezones in te stellen, verbiedt fracking, verbetert de financiering van het openbaar vervoer en biedt particulieren nieuwe faciliteiten voor de installatie van fotovoltaïsche installaties.

Grote investeerders keerden terug naar de hernieuwbare sector. Zo werd alleen al in 2023 ruim 5,5 gigawatt aan nieuw fotovoltaïsch vermogen geïnstalleerd, dertig procent meer dan een jaar eerder. Het aandeel van de duurzame bronnen in de stroomopwekking begon weer op te lopen. In 2023 werd de helft van de elektriciteit in Spanje gegenereerd door hernieuwbare bronnen.

De oorlog tegen Iran is voor de Spaanse oliegiganten een goede handel. In het eerste kwartaal van 2026 maakte Repsol bijna 1 miljard euro winst, tweeënhalf keer zo veel als in 2025.

Inmiddels is dit bijna zestig procent. En als we kernenergie meetellen, werd de voorbije twee jaar driekwart van de Spaanse stroombehoefte opgewekt door bronnen die vrij zijn van CO2-uitstoot. Intussen groeit het hernieuwbare vermogen harder dan ooit. In 2024 kwam er zeven gigawatt aan nieuwe zonne- en windparken bij, de grootste toename in een jaar tot dan toe. Vorig jaar was dat nog meer: tien gigawatt.

Het Spaanse stroomnet heeft nu een totaal geïnstalleerd vermogen van 150 gigawatt, dat voor 69 procent draait op hernieuwbare en 29 procent op niet-hernieuwbare energie. De overige twee procent is opslag. Na Duitsland heeft Spanje het grootste arsenaal aan zonne- en windtechnologie van Europa.

Gewend aan goedkoop

Je zou zeggen: Spanje heeft zijn huiswerk gedaan. Maar dat is slechts de halve waarheid. Want het land heeft de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen bij de elektriciteitsproductie wel sterk teruggedrongen, maar de situatie in het vervoer en de industrie laat een compleet ander beeld zien. Van het totale Spaanse energiegebruik is zeventig procent afhankelijk van fossiele bronnen, tonen cijfers van Greenpeace.

In Spanje rijden weinig elektrische wagens rond. Er zijn slechts zeven EU-landen waarin nog minder op batterijen gereden wordt. Van de nieuwe auto's die in Spanje verkocht worden, is amper twintig procent hybride of volledig elektrisch. In Duitsland is dat dertig, in Denemarken vijftig procent en in België 52 procent.

Denk niet dat massaal fossiel blijven rijden een typisch zuidelijk trekje is, of terug te voeren is op een kwestie van inkomen. De Portugezen verdienen minder, maar kopen bijna tweemaal zo vaak een elektrische auto als de Spanjaarden. Van het totale wagenpark in Spanje is nog geen twee procent elektrisch. Bijna alle auto's rijden er op benzine of diesel.

Bron: International Energy Agency Belang van olie in de energievoorraad van Spanje P42 - Energiebeleid Spanje Industrie Residentieel Land- en bosbouw Overige Transport Commerciële en openbare diensten Visserij Niet-energetisch gebruik Tussen 2000 en 2024 daalde het olieaanbod in de totale energiemix van Er is vooral een daling merkbaar tussen 2000 en 2014. Sindsdien bleef het olieverbruik vrij gelijk. 50,9 % 44,1 % 71,1 % 5,4 % 10,8 % Top 4: 4,9 %

Dat heeft alles met het overheidsbeleid te maken. Hoewel Spanje geen olie of gas produceert en dus alles moet importeren, is de brandstofbelasting er extreem laag. In Europa heft alleen Bulgarije minder belasting op benzine.

En per liter diesel dragen alleen de Esten minder af aan de staat. Dat werkt door in de eindprijs, vandaar dat West- Europeanen zo graag in Spanje tanken. Spanjaarden zijn gewend aan goedkope brandstof, en hun regeringen kijken er wel voor uit om fossiele brandstoffen zwaarder te belasten. Ook de progressieve regering-Sánchez piekert er niet over. Sterker nog, het tegenovergestelde is het geval.

Een van de voornaamste maatregelen die Sánchez in maart afkondigde om de gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten te verzachten, was een halvering van de omzetbelasting op brandstof: van 21 naar 10 procent. Transporteurs, boeren en vissers kregen een bonus van twintig cent per liter brandstof. Het zijn weliswaar tijdelijke maatregelen, maar volgens critici slaat de regering daarmee de verkeerde weg in. Ze zouden vooral de rijken ten goede komen, de winsten van de oliebedrijven spekken en indruisen tegen wat Spanje en Europa nodig hebben: afkicken van de olieverslaving.

Onderzoek van de Spaanse onafhankelijke financiële autoriteit Airef heeft laten zien dat deze vrees gerechtvaardigd is. Tijdens de energiecrisis van 2022, die volgde op de uitbraak van de oorlog in Oekraïne, stelde de eerste regering-Sánchez een algemene subsidie in van twintig cent per liter brandstof. De maatregel was van korte duur, maar met 4,5 miljard euro wel zeer kostelijk. Daarvan kwam volgens de financiële autoriteit tweemaal zo veel geld terecht bij het rijkste derde deel van de bevolking als bij de 33 procent armste Spanjaarden. Een kleine 900 miljoen euro ging regelrecht naar de oliemultinationals, die de bonus voor de burgers aangrepen om hun winstmarges geruisloos te verhogen.

De miljardensteun van de Spaanse overheid in 2022 moedigde het gebruik van fossiele brandstoffen aan en verdween voor het overgrote deel in de zakken van mensen en bedrijven die deze niet nodig hadden. Er is geen reden om te veronderstellen dat het ditmaal anders zal zijn. Met zijn moedige opstelling tegenover figuren als Donald Trump en Benjamin Netanyahu mag Pedro Sánchez dan veel sympathie oogsten in progressieve kringen wereldwijd, maar binnenlands is zijn beleid verre van eenduidig links.

Op milieugebied betekent dat: schipperen tussen de groene agenda en de belangen van de ook in Spanje machtige olie-industrie. Met acht grote raffinaderijen – van Repsol, Moeve en BP – heeft het land een bewerkingscapaciteit van ruwe olie die in Europa alleen vergelijkbaar is met die van Duitsland en Italië. De Spaanse oliesector is dan ook opmerkelijk onbezorgd over een dreigende olieschaarste door de blokkade in de Straat van Hormuz. ‘Spanje is het Europese land dat het best voorbereid is op de situatie’, zei Repsol-topman Josu Jon Imaz half april in El País. ‘We hebben grote en goede raffinaderijen, en zestig procent van de olie die we consumeren komt van het Amerikaanse continent.’

De oorlog tegen Iran is voor Imaz en zijn olievrienden een goede handel. In het eerste kwartaal van 2026 maakte Repsol een winst van bijna een miljard euro, tweeënhalf keer zo veel als een jaar eerder. Er gaan stemmen op om dit soort “uit de hemel gevallen” woekerwinsten via belastingen af te romen en daarmee de energietransitie te versnellen. Sánchez heeft zich er nog niet over uitgesproken.

Deze analyse werd geschreven voor MO*160, het zomernummer van MO*magazine. Vind je dit artikel waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.

MO160

Spanje, het buitenbeentje van Europa?

Word proMO*

Vind je MO* waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.

Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.

Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.

Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.

Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.

Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.

Per maand

€4,60

Betaal maandelijks via domiciliëring.

Meest gekozen

Per jaar

€60

Betaal jaarlijks via domiciliëring.

Voor één jaar

€65

Betaal voor één jaar.

Ben je al proMO*

Log dan hier in

Tags