Taalgebruik in tijden van oorlog
Wanneer kiezen we voor ‘regime’ en wanneer schrijven we ‘regering’?
)
© Foto: GC4HR / Toevoeging tekst: MO*
)
© Foto: GC4HR / Toevoeging tekst: MO*
Wanneer kiezen journalisten voor het woord ‘regime’ in plaats van ‘regering’? Wanneer schrijven ze ‘omgekomen’ in plaats van ‘gedood’? En wat is precies het verschil tussen ‘gedood’, ‘vermoord’ en ‘uitgeschakeld’ of ‘geliquideerd’? Worden zulke keuzes bewust gemaakt of sluipen ze eerder onbewust de berichtgeving binnen?
‘Libanese journaliste gestorven na dubbel Israëlisch bombardement: hulp mocht niet komen’, schreef De Standaard op 24 april op Instagram. In het bericht reconstrueerde de krant de dood – of is het eerder de moord? – op de Libanese journaliste Amal Khalil (43) in het zuiden van Libanon.
Het bericht lokte heel wat verontwaardigde reacties uit door het taalgebruik. Veel lezers vonden het woord ‘gestorven’ ongepast, omdat het de lading van de gebeurtenis niet dekt en de ernst van de feiten minimaliseert. ‘Uw collega werd vermoord voor het uitvoeren van haar journalistieke taak, met meer integriteit in haar pink dan jullie in de hele redactie. Schaam u’, reageerde lezer Samir Altaweel.
De krant herhaalde het woord ‘gestorven’ verderop in de reconstructie bij de beschrijving van twee andere slachtoffers. ‘Een auto nabij de wagen van de journalisten was gebombardeerd, waarbij twee mensen waren gestorven. Daarna zou ook de auto van de journalisten zijn geviseerd.’ De Standaard gebruikte in hetzelfde bericht ook het woord ‘gedood’, onder meer in het onderschrift, maar dat viel de lezers minder op.
Het is een van de meest terugkerende punten van kritiek op Vlaamse en, ruimer, westerse berichtgeving over de oorlog in Gaza en Libanon. Vooral de berichtgeving over het viseren van journalisten door het Israëlische leger leiden tot scherpe kritiek.
De Amerikaanse media hebben hun vermoorde collega’s op grote schaal verraden, klonk de beschuldiging van onafhankelijk onderzoeksjournalist Sharif Abdel Kouddous in een interview met de Amerikaanse podcast The Katie Halper Show. Volgens Abdel Kouddous, die gespecialiseerd is in het Midden-Oosten en mensenrechten, maakt de manier waarop die media over hun dood berichten hen zelfs medeplichtig.
Niet neutraal
‘In oorlogsberichtgeving zijn termen zelden louter beschrijvend’, zegt Leen d’Haenens, communicatiewetenschapster en hoogleraar aan het Instituut voor Mediastudies (IMS) aan de KU Leuven. ‘Afhankelijk van de term die men kiest, worden bepaalde aspecten van de werkelijkheid benadrukt en andere naar de achtergrond geduwd. Woorden suggereren bijvoorbeeld wie legitiem is, wie slachtoffer is en wie dader, en of een overlijden wordt voorgesteld als een tragische gebeurtenis, een militaire handeling of een moreel verwerpelijke daad.’
‘Het woord ‘‘omgekomen’’, bijvoorbeeld, vertelt wel dat iemand dood is maar zegt weinig over causaliteit, verantwoordelijkheid of intentie achter die dood. Daardoor kan het, zeker bij slachtoffers van geweld, klinken alsof de dood bijna vanzelf is gebeurd: iemand ‘‘kwam om’’ bij een aanval, explosie of bombardement. Voor lezers die vinden dat de geweldsactor duidelijk benoemd moet worden, kan dat overkomen als een verzachting of zelfs als het uitwissen van daderschap.’
‘Afhankelijk van de term die men kiest, worden bepaalde aspecten van de werkelijkheid benadrukt en andere naar de achtergrond geduwd. Woorden suggereren bijvoorbeeld wie legitiem is, wie slachtoffer is en wie dader.’Leen d'Haenens, Instituut voor Mediastudies
Maar de impact van woordkeuze kan verder reiken dan een subjectief gevoel bij de slachtoffers. Woorden bepalen mee hoe mensen naar een conflict kijken en hoe ze erover denken.
‘Door bepaalde woorden te gebruiken, kun je een fundamenteel ander verhaal vertellen over wat in principe dezelfde realiteit kan zijn’, zegt Baldwin Van Gorp, docent journalistiek en communicatiemanagement en hoofd van het Lab voor Media, Informatie en Beïnvloeding aan de KU Leuven. Iets waar we ons vaak te weinig bewust van zijn, stelt hij vast. ‘Want afhankelijk van het woord dat je kiest, kijken mensen anders naar een situatie en zullen ze er ook anders over oordelen.’
‘Schrijven dat een journalist ‘‘gedood is’’, betekent dat het om een bewuste daad gaat,’ geeft hij als voorbeeld, ‘terwijl de dood van iemand die ‘‘omgekomen is’’ evengoed het resultaat kan zijn van een verkeersongeluk of een natuurramp. Het onderliggende idee is dat die journalist niet voorzichtig is geweest en in de vuurlinie is terechtgekomen, en dat hij per ongeluk geraakt is door een kogel of door op een mijn te trappen. Terwijl we weten dat journalisten steeds vaker een bewust doelwit zijn van strijdende partijen.’
Journalisten gebruiken die twee woorden vaak, soms ook door elkaar in hetzelfde artikel of bericht. Maar ze vermijden het woord ‘vermoord’. Dat komt omdat het een veel sterkere term is, met een morele en juridische lading.
‘Het woord ‘‘vermoord’’ impliceert niet alleen dat iemand door toedoen van anderen gestorven is, maar ook dat het gaat om een onrechtmatige, intentionele daad’, zegt Leen d’Haenens. ‘Journalisten zijn vaak terughoudend om het te gebruiken zolang intentie, doelgerichtheid of juridische kwalificatie niet vaststaat.’
Legitimering
Een juridisch beladen term als ‘vermoord’ ligt dan wel moeilijker voor journalisten, maar ze gebruiken soms wel politiek beladen termen zoals ‘liquideren’ of ‘uitschakelen’ wanneer personen in een conflict gedood worden. Deze termen duiken vaak op in berichtgeving over het viseren van “vijanden”.
Onlangs nog, bij berichtgeving over de dood van Iraanse politieke leiders na de militaire aanval van de VS en Israël op Iran in maart. ‘Nu de opperste leider en een deel van zijn getrouwen zijn uitgeschakeld, probeert Iran in de eerste plaats continuïteit uit te stralen.’ De militaire aanval op Iran noemde de krant ook een Amerikaans-Israëlische ‘operatie’.
In een Vlaams actualiteitsmagazine klonk het over diezelfde aanval op Iran: ‘In januari 2020 laat Trump Qasem Soleimani, de machtige Iraanse generaal die gold als architect van de Iraanse regionale strategie, liquideren via een drone-aanslag nabij Bagdad.’
Woorden kunnen intrinsiek veroordelen, maar ze kunnen ook legitimering in zich dragen. ‘‘‘Uitschakelen” geeft legitimatie aan de daad’, stelt Van Gorp. ‘Personen zoals Osama Bin Laden en Kadhafi werden ‘‘uitgeschakeld’’. Het gebruik van dat woord vloeit voort uit het idee dat het gaat om iemand die een gevaar vormt. En ook vanuit het idee dat de plaatselijke bevolking daar enorm onder lijdt. Hij moet uitgeschakeld worden in het belang van iedereen, dat is de achterliggende redenering.’
‘Een machtsstructuur die autoritair en ondemocratisch is, is vanuit ons westers perspectief ook ongewenst. Op die manier wordt een regime omverwerpen legitiem.’Baldwin Van Gorp, Lab voor Media, Informatie en Beïnvloeding
Hetzelfde kan gezegd worden over een woord als ‘regime’. Sommige regeringen, zoals die van Iran, worden steevast ‘regime’ genoemd, andere dan weer niet. ‘Terwijl het woord “regering” iets institutioneler en neutraler is, suggereert het woord “regime” vaak autoritarisme, repressie of gebrek aan legitimiteit’, zegt Leen d’Haenens. Dat kan verdedigbaar zijn in sommige contexten, met de bedoeling om een type regering te beschrijven, maar het is zelden neutraal.’
Van Gorp vult aan: ‘Een machtsstructuur die autoritair en ondemocratisch is, is vanuit ons westers perspectief ook ongewenst. Op die manier wordt een regime omverwerpen legitiem, ook of zelfs in het belang van westerse machthebbers. Maar dat wordt er niet bij gezegd.’
Propaganda
Vanwaar komt dit taalgebruik? En wie bepaalt de woorden, de terminologie, die journalisten hanteren? ‘Dat gebeurt alvast niet in expliciete vergaderingen waarin hoofdredactie en redactie bewust een politieke lijn zouden vastleggen’, reageert Leen d’Haenens.
Er zijn verschillende elementen die ervoor zorgen dat een bepaalde terminologie ingang krijgt en overgenomen wordt, zeggen beide deskundigen. Snelheid en tijdsdruk, of overname uit teksten van persagentschappen. Of woorden worden overgenomen door vertalingen uit Engelstalige berichtgeving, of uit formuleringen die elders al circuleren. Of ze vinden aansluiting bij gangbare diplomatieke termen.
‘Dat maakt die woorden niet onschuldig, maar het betekent wel dat je voorzichtig moet zijn met de veronderstelling dat elke formulering het resultaat is van een bewuste strategische of politieke beslissing’, benadrukt Leen d’Haenens.
En zo sluipt propaganda het journalistieke taalgebruik binnen. ‘Journalisten baseren zich op bronnen’, legt Baldwin van Gorp uit. ‘Voor hen is een regeringsbron nog altijd een belangrijke en zelfs een betrouwbare bron. Omdat journalisten geacht worden neutraal en onpartijdig te zijn, citeren ze vaak de overheid zonder kritische inkleuring.’
‘De kern is dat journalisten moeten kunnen uitleggen waarom zij een bepaalde term gebruiken, en of die term past bij wat feitelijk bekend is op dat moment.’Leen d'Haenens, Instituut voor Mediastudies
Maar de media-expert vindt ook heel wat verzachtende omstandigheden voor journalisten. Een van de problemen is het gebrek aan diepgaande kennis. ‘Journalisten schrijven vaak over heel veel onderwerpen. Ze krijgen niet de kans om zich te specialiseren en met grondige kennis over bepaalde regio’s te berichten. Waardoor ze de gangbare terminologie snel overnemen’.
Maar er is ook een probleem aan de kant van de ontvanger: de lezer, de kijker, de luisteraar. ‘Naast de tijdsdruk en de krimpende ruimte om het verhaal te vertellen ten voordele van meer ruimte voor beeld, wil de lezer in deze gehaaste wereld niet de tijd nemen om een lang artikel te lezen. En dan is er nog de jonge generatie, die helemaal geen lange stukken wil lezen. Ik heb te doen met journalisten tegenwoordig.’
Kritisch kijken naar taal
Volledige neutraliteit is niet mogelijk, stelt Baldwin Van Gorp. ‘Of het nu over Oekraïne, Israël, Gaza of een andere regio gaat: op een bepaald moment houdt onpartijdigheid op.’
D'haenens beaamt. Ze vindt ‘neutraal zijn’ ook niet de juiste vraag, want ‘framing is onvermijdelijk’, benadrukt ze. Met die term doelt ze op het bewust of onbewust kiezen van termen, beelden of context die de ontvanger beïnvloeden in zijn visie en oordeel. ‘Elke journalistieke tekst selecteert, ordent en benoemt. Een goede journalistieke vraag is niet: ‘kunnen we neutraal taalgebruik vinden?, maar: welke interpretatie activeert deze term, en kunnen we die feitelijk en ethisch verantwoorden?’
‘De kern is dus niet dat één term altijd juist is. De kern is dat journalisten moeten kunnen uitleggen waarom zij een bepaalde term gebruiken, en of die term past bij wat feitelijk bekend is op dat moment.’ Met andere woorden, journalisten zouden kritisch moeten kijken naar hun taalgebruik en er vooral consequent mee moeten omgaan.
Ingebed
Als journalist ben je ook altijd ingebed in een nationale context. Voor Belgische journalisten is dat een westerse context, en die creëert bias, beïnvloedt hoe je naar de wereld kijkt, zegt Van Gorp. ‘We hebben een wit Europees perspectief of een perspectief dat afkomstig is uit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.’
Dat betekent, volgens Van Gorp: ‘We voelen ons op het vlak van waarden en normen verheven en moreel superieur ten opzichte van de rest van de wereld, en we zijn voor een deel blind voor hoe mensen in landen zoals Rusland, China of in Afrika naar het Westen kijken. En dat op het moment dat de VS hun machtspositie in de wereld willen behouden met behulp van veel geweld. Er zit dus een vertekening in de berichtgeving waar we ons vaak niet van bewust zijn, of die we niet in vraag stellen.’
Om aan dat soort vooroordelen te ontsnappen, zouden journalisten oog moeten hebben voor verschillende perspectieven. En meer diepgaande kennis en specialisatie kunnen opdoen. Bij berichtgeving over een conflict, zou de visie van beide partijen aan bod moeten komen.
Goede journalistiek
Een kritische ingesteldheid alleen kan helaas geen garantie zijn voor een professionele en eerlijke berichtgeving. Ook de plaats die woorden in een bericht krijgen, kan een invloed hebben op de boodschap.
In het bericht van De Standaard dat hierboven aan bod kwam, werden zowel de woorden ‘gestorven’ als ‘gedood’ gebruikt, maar ‘gestorven’ kreeg een prominentere plaats, in de titel, terwijl 'gedood' in de beschrijving onderaan werd gebruikt. Daardoor viel het meer op en leek het meer impact te hebben dan ‘gedood’. Op dezelfde manier kan ook de manier waarop beide kanten van een conflict geciteerd worden, vooroordelen in zich dragen.
In zijn kritiek op hoe Amerikaanse media omgaan met de dood van Palestijnse journalisten, spreekt onderzoeksjournalist Sharif Abdel Kouddous over ‘goede journalistiek’, eerder dan over ‘neutrale journalistiek’. In het interview in The Katie Halper Show vergelijkt hij de berichtgeving over de vervolging en repressie van Palestijnse journalisten met die over vervolging en repressie van journalisten elders:
Als voorbeeld geeft Abdel Kouddous een krantenkop van The New York Times. ‘Evan Gershkovich veroordeeld tot 16 jaar gevangenisstraf in Rusland op basis van verzonnen aanklachten’, schreef de krant over een veroordeelde Amerikaanse journalist. Abdel Kouddous prijst het taalgebruik, want het ging effectief om gefabriceerde aanklachten, zegt hij. En dat is wat hij goede journalistiek noemt.
Daartegenover plaatst hij de berichtgeving van het Amerikaanse persagentschap Reuters over de moord op de Palestijnse journalist Anas Al-Sharif. Abdel Kouddous merkt op dat het persagentschap de bewering van de Israëlische autoriteiten voorrang geeft: ‘Israël doodt journalist die volgens Israël een Hamas-strijder was’, schreef het toen. Al-Sharif had zelf voor zijn dood al aangegeven dat hij doodsbedreigingen kreeg. Reuters voegde aan het bericht ook aan toe: ‘Zijn werkgever Al Jazeera, die gefinancierd wordt door de Qatarese overheid, ontkent dat.’
Deze manier van berichtgeving is onaanvaardbaar, vindt Abdel Kouddous. Ze maakt het Israël zelfs mogelijk om door te gaan met het doden van journalisten, want ze zwakt de wereldwijde verontwaardiging af.
Journalisten worden vaak overspoeld door de vele gebeurtenissen en kunnen amper volgen. Het is niet eenvoudig om bij elk woord stil te staan en over de terminologie na te denken. Ook de rol van de eindredacteur mag niet onderschat worden. Een ander woord, of een woord meer of minder, kan de beoordeling van de ontvanger behoorlijk beïnvloeden.
Een regeringshoofd bijvoorbeeld ‘president’ of ‘leider’ noemen, komt anders over dan de keuze voor ‘dictator’, los van de vraag of deze beschrijving al dan niet klopt.
Hier ligt een taak voor de hoofdredactie, vindt Van Gorp. ‘In de opleidingen journalistiek is er meer en meer aandacht voor taalgebruik, maar het is ook de verantwoordelijkheid van de hoofdredacteur om daar bij stil te staan en het niet over te laten aan individuele journalisten.’
Lees ook
Niets missen?
Abonneer je op (één van) onze nieuwsbrieven.





