Bedrag dat migranten naar huis sturen vier keer groter dan officiële buitenlandse steun
Migranten sturen samen veel meer geld naar huis dan wat hun landen van herkomst krijgen aan buitenlandse hulp. Het vormt vaak een levenslijn voor de gezinnen uit hun thuislanden, stelt een rapport van het Internationaal Fonds voor Landbouwontwikkeling (IFAD).
Uit het rapport Sending Money Home blijkt dat de geldstroom die migranten aan hun familie sturen de grootste bron van inkomsten is voor veel gezinnen in herkomstlanden in tijden van economische en geopolitieke onzekerheid.
‘We zien dat de officiële ontwikkelingshulp en de directe buitenlandse investeringen samen minder bedragen dan wat migranten regelmatig in kleine bedragen naar huis sturen’, zegt Pedro de Vasconcelos, manager van Financing Facility for Remittances bij IFAD en hoofdauteur van het rapport. ‘Wat opvalt, en wat misschien nog belangrijker is: bij elke crisis die zich voordoet, zijn migranten de eersten die in actie komen, omdat het om hun families gaat. Zij zijn de first responders.’
Geldstromen
De Vasconcelos wijst erop dat de geldstromen vaak wat onzichtbaar blijven, terwijl het op wereldschaal wel gaat over een bedrag van zo'n 3,6 biljoen dollar, dat gezinnen in lage- en middeninkomenslanden tussen 2026 en 2030 zullen ontvangen.
Volgens cijfers van de OESO bedroeg de ontwikkelingshulp van de rijkste landen ter wereld vorig jaar 174,3 miljard dollar - een daling met 23,1 procent. De directe buitenlandse investeringen naar ontwikkelingslanden in 2025 bedroeg zo'n 877 miljard tot 901 miljard dollar; en de netto-instroom voor lage- en middeninkomenslanden ongeveer 379 miljard dollar, volgens cijfers van de Wereldbank.
De geldzendingen van migranten aan hun families in lage- en middeninkomenslanden zijn sinds 2016 met 94% gestegen. En naar schatting 220 miljoen migranten en leden van de diaspora ondersteunen maar liefst 1,1 miljard familieleden, wat betekent dat ongeveer één op de zes mensen wereldwijd via de geldovermakingen met elkaar is verbonden.
Stijging
Uit het rapport blijkt verder dat de geldstroom naar herkomstlanden is gestegen van 375,6 miljard dollar in 2016 naar 728,6 miljard dollar vorig jaar. Vijf landen samen hebben daarbij bijna de helft van alle geld ontvangen: India ontving het grootste bedrag (150,7 miljard dollar), gevolgd door Mexico (64,4 miljard dollar), de Filipijnen (41,6 miljard dollar), Egypte (41,5 miljard dollar) en Pakistan (40,5 miljard dollar).
Azië en de Pacific blijven het centrum van deze mondiale economie, met 384,9 miljard dollar aan ontvangsten van familie in het buitenland, oftewel 53 procent van het totaal.
Latijns-Amerika en het Caribisch gebied lieten de snelste groei zien: de geldovermakingen naar deze regio zijn de afgelopen tien jaar met 132 procent gestegen tot 168,6 miljard dollar, en de geldstroom naar Afrika steeg met 86 procent, tot 124,2 miljard dollar.
400 à 450 dollar
Nigel Brett, directeur van de afdeling Duurzame Productie, Markten en Instellingen bij het IFAD, wijst erop dat er tien jaar geleden gemiddeld bedragen van 200 dollar werden overgemaakt. Ook dat cijfer is sindsdien flink gestegen: wereldwijd ligt het gemiddelde nu tussen de 400 en 450 dollar (zo'n 350 tot 395 euro).
‘Migranten zijn zich veel beter bewust van de omstandigheden waarin hun familie dagelijks moet leven, en geldovermakingen blijven een levenslijn’, zegt Brett.
De kosten voor zo'n overmaking zijn wel nog steeds erg hoog, zegt hij. Geld overmaken kost gemiddeld 6,4% van het overgeschreven bedrag, een pak meer dan de 3% die de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG's) voorschrijven.
‘De digitalisering heeft al een grote impact gehad, moet er meer gebeuren om de kosten van geldovermakingen te verlagen’, aldus Brett. De hoge prijs wordt beïnvloed door factoren zoals een gebrek aan voldoende concurrentie, technologische beperkingen, wisselkoersmarges en de hele infrastructuur rondom de betalingen.
Investeringen en meer veerkracht
Uit het IFAD-onderzoek blijkt nog dat er van al die geldtransfers naar herkomstlanden ongeveer 22 miljard dollar is geïnvesteerd in landbouw en voedselsystemen op het platteland.
‘Het geld wordt dus geïnvesteerd in hun bestaansmiddelen’, aldus Brett. ‘Maar er zijn nog meer data nodig, zodat overheden een beter inzicht krijgen in de realiteit van de ontvangers, om zo de impact ervan op het platteland te kunnen begrijpen.’
De geldstroom vergroot het vermogen van gezinnen om bijvoorbeeld klimaat-, economische schokken of andere tegenslagen op te vangen. Ze kunnen ook bijdragen aan meer veerkracht op de langere termijn, zeker als dat hand in hand gaat met andere financiële diensten en ondersteunend overheidsbeleid, aldus het rapport.
In Senegal heeft bijvoorbeeld 73% van de gezinnen die geld van familie in het buitenland kon ontvangen een strategie voor risicobeheer in de landbouw uitgewerkt, vergeleken met 22% van de huishoudens zonder die middelen. Ontvangers hadden ook bijna twee keer zoveel kans om te sparen, waardoor hun vermogen om verliezen op te vangen werd versterkt.
In Bangladesh, Burkina Faso, Ethiopië en Ghana hebben geldtransfers gezinnen geholpen om zich voor te bereiden op klimaatschokken. In de westelijke Sahel en het noorden van Kenia heeft dat geld geholpen bij investeringen in droogteresistent zaad, kleinschalige irrigatie. In Burkina Faso zagen de onderzoekers vooral slimme toepassingen van technieken voor beter bodem- en waterbehoud.
Belangrijke bron
Vanwege de vele voordelen van deze geldstromen doet het rapport enkele aanbevelingen om met name de kosten van de transfers te verlagen en de financiële toegang ertoe te vergroten.
Verder vinden de auteurs dat de overheid en de ontwikkelingssector de voorwaarden zouden moeten scheppen om geldzendingen en investeringen door de diaspora gericht in te zetten met het oog op duurzame ontwikkeling.
‘De vraag of geldtransfers belangrijker zijn dan de officiële ontwikkelingshulp kan volmondig beantwoord worden met “ja”’, zegt Alvaro Lario, de voorzitter van IFAD. ‘Geldtransfers zijn vier keer zo groot als ontwikkelingssteun. Maar ze vervangen elkaar niet, omdat ze een heel ander doel dienen’, gaat hij verder. ‘Geldovermakingen zijn particulier geld dat door migranten wordt verstuurd om hun families te ondersteunen, en officiële ontwikkelingshulp is overheidsgeld waarmee publieke voorzieningen zoals wegen en markten worden gefinancierd die families niet zelf kunnen bekostigen. We hebben beide nodig: hoewel ze heel verschillend zijn, kunnen ze elkaar versterken en aanvullen.’
Verder vraagt het rapport ook aandacht voor inclusieve markten en een evenredige manier om regelgeving op te bouwen en te moderniseren. Digitalisering mag bijvoorbeeld geen gezinnen uitsluiten die nog steeds afhankelijk zijn van contant geld.
Diensten moeten ook betaalbaar, transparant en betrouwbaar zijn, stelt het rapport. En er is nood aan financiële en digitale educatie voor migranten en ontvangers van geldstromen, en tegelijkertijd verzekerings-, spaar-, krediet- en beleggingsmechanismen, afgestemd op gezinnen op het platteland die het geld ontvangen.


