Sadjo Tshiam
“‘‘Herkennen we racisme nog wanneer het van vorm verandert?’’
)
© Paul Kagame @ Flickr (CC BY-NC-ND 2.0)
)
© Paul Kagame @ Flickr (CC BY-NC-ND 2.0)
Deze week begon wereldwijd de jaarlijkse herdenking van de genocide op de Tutsi's in Rwanda. Dat is nodig, want het einde van de massamoord betekende niet het einde van het racisme, schrijft politicologe Sadjo Thiam. ‘De genocide tegen de Tutsi’s herinnert ons eraan hoe gevaarlijk racialisering kan worden wanneer die niet wordt herkend en bestreden.’
Op 7 april begint wereldwijd jaarlijks de herdenkingsperiode van de genocide tegen de Tutsi’s in Rwanda. Honderd dagen lang wordt stilgestaan bij een van de meest extreme uitingen van raciale ideologie in de recente geschiedenis.
Maar die herdenking roept ook een actuele vraag op: herkennen we racisme vandaag nog, wanneer dat zich niet langer toont zoals we het uit het verleden kennen?
In een samenleving als België, waar het koloniale verleden nooit volledig maatschappelijk werd verwerkt, en waar een grote Rwandese gemeenschap leeft, is die vraag allesbehalve abstract. Ze raakt aan hoe we vandaag spreken over racisme, welke vormen we erkennen en welke we over het hoofd zien.
Wanneer we over racisme spreken, wordt het debat vaak herleid tot eenvoudige tegenstellingen: daders en slachtoffers, wit en zwart, verleden en heden. Maar racisme is geen eigenschap van één groep. Het is een mechanisme. Een mechanisme dat ontstaat wanneer mensen worden gereduceerd tot categorieën en wanneer die categorieën worden gebruikt om macht uit te oefenen.
Racisme begint met racialisering: het proces waarbij mensen worden ingedeeld in groepen die zogenaamd fundamenteel verschillend zijn. Zodra die categorieën bestaan, kunnen ze worden gebruikt om hiërarchieën te creëren, privileges te verdelen en anderen uit te sluiten. Dat proces werd historisch sterk gevormd door koloniale systemen en raciale ideologieën.
Een van de meest ingrijpende gevolgen van zulke ideologieën is dat ze zich diep in samenlevingen kunnen verankeren. Ze kunnen zelfs worden overgenomen door de mensen die erdoor werden gevormd. Koloniale denkpatronen verdwijnen niet automatisch wanneer een koloniale periode eindigt. Ze kunnen blijven doorwerken in hoe groepen naar elkaar kijken en hoe macht en verschil worden begrepen.
In een land waar een grote Rwandese gemeenschap leeft, is het legitiem om ons af te vragen hoe wij ons tot die geschiedenis verhouden.
De genocide tegen de Tutsi’s in Rwanda is een tragisch en extreem voorbeeld van waar racialisering toe kan leiden wanneer ze systematisch wordt georganiseerd en aangewakkerd. De sociale categorieën Hutu, Tutsi en Twa waren historisch geen rigide etnische identiteiten zoals ze later werden voorgesteld. Onder Belgisch koloniaal bestuur werden ze verder geracialiseerd: ze werden gekoppeld aan raciale theorieën, vastgelegd in identiteitsdocumenten en gebruikt om hiërarchieën te creëren binnen de samenleving.
Wat begon als een koloniale classificatie werd uiteindelijk een politieke realiteit. Propaganda, ontmenselijking en geweld transformeerden die categorieën in een dodelijke ideologie.
De gebeurtenissen van 1994 stonden bovendien niet los van eerdere ontwikkelingen. Al vanaf het begin van de jaren zestig werden Tutsi herhaaldelijk het doelwit van geweld, vaak aangewakkerd door politieke elites en lokale machtsstructuren. In internationale berichtgeving werd soms gesproken over “pogroms”, maar het geweld volgde een systematische raciale logica waarbij Tutsi’s als collectieve vijand werden voorgesteld.
De genocide van 1994 vormde het meest extreme hoogtepunt van een dynamiek die zich over decennia had opgebouwd.
Het einde van de genocide betekent echter niet automatisch het einde van het racisme. Wanneer openlijke raciale ideologieën maatschappelijk onaanvaardbaar worden, verdwijnen de denkpatronen die ze hebben voortgebracht niet zomaar. Ze kunnen zich blijven uiten in andere vormen van discours, bijvoorbeeld in het relativeren, minimaliseren of ontkennen van geweld.
Zulke reacties zijn niet neutraal, ze wijzen vaak op de raciale logica die nog steeds mee bepaalt hoe mensen naar bepaalde groepen kijken en hoe er over bepaalde gemeenschappen wordt gesproken of geschreven. Wanneer de historische context ontbreekt, kunnen analyses of berichtgeving onbedoeld simplistisch of ongevoelig worden. Niet noodzakelijk uit kwade wil, maar omdat de onderliggende raciale dynamieken en hun geschiedenis onvoldoende worden begrepen.
Terwijl gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog stevig verankerd zijn in ons collectieve geheugen en onderwijs, blijven de koloniale wortels van raciale ideologie vaak minder zichtbaar.
Een van de meest zichtbare uitingen van dat soort discours is de tolerantie tegenover negationisme rond de genocide tegen de Tutsi’s. Het ontkennen of minimaliseren van genocide is geen louter historisch debat. Het raakt aan de erkenning van slachtoffers en aan het collectieve geheugen van een gemeenschap. Wanneer feiten systematisch worden betwijfeld of geminimaliseerd, wordt ook de realiteit van het geleden geweld onder druk gezet.
Soms wordt geweld tegen een specifieke gemeenschap ook gerelativeerd door te suggereren dat zij zelf de bron zijn van de spanningen die hen treffen. Daarmee verschuift de aandacht van het geweld naar degenen die het ondergaan, terwijl racialisering net werkt door hele groepen tot probleem te maken.
Dat heeft ook te maken met hoe wij racisme begrijpen. In het publieke debat wordt racisme vaak voorgesteld als iets dat slechts in één richting kan bestaan. Wanneer racialisering zich in een andere context voordoet, herkennen we het mechanisme minder snel. Daardoor worden patronen van discriminatie of geweld soms gerelativeerd, simpelweg omdat men ze niet als racisme herkent.
Racisme kan zich bovendien ook manifesteren in stilte. Soms verdwijnt geschiedenis uit het collectieve geheugen. Wanneer bepaalde verhalen niet worden verteld, niet in onderwijs, niet in publieke debatten, wordt het moeilijker om de structuren die eraan ten grondslag liggen te herkennen.
Die vraag raakt ook aan een bredere context. We leven in een samenleving die pas recent begint te reflecteren over haar koloniale verleden. Terwijl gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog stevig verankerd zijn in ons collectieve geheugen en onderwijs, blijven de koloniale wortels van raciale ideologie vaak minder zichtbaar.
Dat verschil roept een ongemakkelijke vraag op. Wanneer antisemitisme opduikt, herkennen we het snel en reageren we er collectief op. Maar wanneer racisme zich in andere historische contexten manifesteert, lijkt die herkenning minder vanzelfsprekend.
Het gaat hier niet om het vergelijken van tragedies, maar om de vraag hoe samenlevingen leren racisme en ongelijkheid te herkennen. Welke geschiedenis wordt zichtbaar gemaakt, en welke blijft op de achtergrond?
In een land waar een grote Rwandese gemeenschap leeft, is het legitiem om ons af te vragen hoe wij ons tot die geschiedenis verhouden. Veel mensen uit die gemeenschap ervaren racisme omdat ze zwart zijn in een Europese samenleving. Maar sommigen dragen ook de historische erfenis van een andere vorm van racialisering: die van Tutsi. Die gelaagdheid van racisme blijft vaak onzichtbaar, waardoor ook het begrip van hun geschiedenis en ervaring onvolledig blijft.
De genocide tegen de Tutsi’s herinnert ons eraan hoe gevaarlijk racialisering kan worden wanneer die niet wordt herkend en bestreden. Geschiedenis toont dat zulke ideologieën zich blijven verplaatsen. Telkens opnieuw worden groepen herleid tot categorieën, tot bedreigingen, tot levens die minder bescherming lijken te verdienen.
De herdenkingsperiode van de genocide tegen de Tutsi’s loopt jaarlijks van 7 april tot 4 juli. Het is een moment van herinnering, maar ook van reflectie over hoe raciale ideologieën ontstaan en hoe die blijven doorwerken in samenlevingen.
Sadjo Thiam is politicologe met een analytische focus op de Grote Meren-regio in Afrika en oprichtster van Acces.
De meningen en standpunten in deze opiniebijdrage zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs die van de MO*redactie.
Word proMO*
Vind je MO* waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.
Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.
Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.
Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.
Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.
Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.
Per maand
€4,60
Betaal maandelijks via domiciliëring.
Meest gekozen
Per jaar
€60
Betaal jaarlijks via domiciliëring.
Voor één jaar
€65
Betaal voor één jaar.
Ben je al proMO*
Log dan hier in