De menselijke tol achter de ebolacijfers in Congo

Reportage

‘Het beeld van het meisje dat zich vastgrijpt aan haar stervende moeder zal ik nooit vergeten’

De menselijke tol achter de ebolacijfers in Congo

Hulpverleners in beschermende kledij dragen een doodskist naar buiten om het lichaam van een aan ebola overleden patiënt te begraven.
Hulpverleners in beschermende kledij dragen een doodskist naar buiten om het lichaam van een aan ebola overleden patiënt te begraven.

De verwoestende ebola-uitbraak in de Democratische Republiek Congo (DRC) raakt maar niet onder controle. Het blijkt een quasi onmogelijke opgave om een dodelijk virus te bestrijden in een gebied waar artsen en patiënten onder vuur liggen. MO* sprak met hulpverleners op het terrein over wat zo’n ontspoorde epidemie betekent voor wie haar ondergaat én bestrijdt.

4 augustus 2026. In een behandelcentrum voor ebolapatiënten in Bunia, in het oosten van Congo, wordt een moeder in kritieke toestand binnengebracht, samen met Chance, haar dochtertje van twee jaar oud.

Bij de moeder is de ziekte al vergevorderd, ze bloedt hevig en heeft overal blauwe plekken. Ze worden beiden naar de transparante observatietenten gebracht, waar ernstige gevallen voortdurend worden gemonitord. Hulpverleners proberen tevergeefs een infuus te steken bij de vrouw, maar door extreme uitdroging en de bloeddrukval zijn haar aders ingeklapt.

Emily Vandamme, spoedarts bij Artsen Zonder Grenzen, nadert het einde van een slopende missie in het behandelcentrum. Ze ziet de moeder snel achteruitgaan en beseft dat er slechts één optie rest: met een holle naald rechtstreeks door het bot boren om het donorbloed ineens de mergholte in te pompen.

Terwijl haar moeder het uitschreeuwt van de pijn klampt de kleine Chance zich in blinde paniek vast aan de vrouw die haar het leven gaf. In het beschermingspak van Vandamme mengen zweetdruppels zich met tranen, wat de behandeling nog moeilijker maakt. Ze krijgt de bloedtransfusie op gang, maar beseft al snel dat de pijnlijke ingreep waarschijnlijk niet meer zal helpen. ‘De hele ruimte begon te ruiken naar iemand die al dood is, een onmiskenbare geur’, zegt ze achteraf.

Niet veel later ziet het meisje haar moeder wegglijden. Het medisch team heeft echter geen tijd om te bekomen van het verlies, de peuter kan nog gered worden. Heel het team vecht voor haar, en na enkele dagen zijn er tekenen van herstel. Ze wijst eten aan, begint weer te spelen en ze kan zelfs even naar buiten. ‘Iedereen durfde te hopen dat ze het zou halen’, vertelt Vandamme.

Maar haar toestand slaat plots om. Chance begint hevig te braken en haar buikje voelt hard als steen. Dat wijst op een spontane darmperforatie, een bekende complicatie door vergevorderde weefselschade. Het meisje zal de ochtend niet halen. Ze sterft tijdens Vandammes allerlaatste shift. ‘Ergens geeft het rust dat ze nu bij haar mama is, maar het beeld van Chance die zich vastgrijpt aan haar stervende moeder zal ik nooit vergeten’, schrijft de spoedarts die avond in haar dagboek.

Ontspoorde epidemie

Het relaas van Chance toont de meedogenloze willekeur van het virus. Sinds haar dood deze zomer is de epidemie in de DRC verder uitgedijd. Op 13 oktober telde het Congolese ministerie van Volksgezondheid 9066 besmettingen en 4381 doden. Bijna de helft van wie besmet raakt bezwijkt eraan.

Het is de grootste en dodelijkste ebola-uitbraak ooit in het land, en wereldwijd de op één na zwaarste. De epidemie die van 2014 tot 2016 door West-Afrika raasde, eiste volgens de Wereldgezondheidsorganisatie ruim 11.000 levens. De huidige uitbraak wordt veroorzaakt door de zeldzame Bundibugyo-variant, waarvoor nog geen goedgekeurd vaccin of medicijn bestaat.

Sinds de epidemie half mei officieel werd vastgesteld, heeft het virus zich verspreid over zeven provincies in het noorden en oosten van het land. Experts vermoeden dat de eerste besmettingen al in februari plaatsvonden in de provincie Ituri, een actieve oorlogszone met gewapende milities en massale vluchtelingenstromen. Omdat het virus er maandenlang onder de radar kon circuleren, is de uitbraak nu extra moeilijk te beteugelen.

De vrees voor een regionale verspreiding groeit. Oeganda telde eerder dit jaar twintig besmettingen en twee doden, maar werd in augustus ebolavrij verklaard. Begin oktober overleed een man in Kenia, die vanuit Congo naar Nairobi was gereisd. Sindsdien zijn 8 andere gevallen gedetecteerd in het land, allemaal contacten van die reiziger. Op 20 oktober werd een eerste besmetting in Nigeria bevestigd.

De bestrijding verloopt moeizaam. Het conflict tussen het Congolese leger en rebellengroep M23 snijdt aanvoerlijnen af en verhindert contactopsporing en zorgverlening in afgelegen gebieden. Ook wantrouwen tegen hulpverleners speelt een rol. Persagentschap AP meldt dat een lokale politicus in september doodgeslagen werd nadat hij op de radio de aanpak van de overheid had verdedigd.

Een lid van het ontsmettingsteam draagt ​​volledige persoonlijke beschermingskledij. Hij wacht tot iedereen klaar is voordat hij de te ontsmetten woning van een gezin binnengaat.

Perfecte storm

‘De bevolking leeft hier in armoede en onveiligheid, het is elke dag vechten om te overleven. De epidemie maakt dat harde bestaan nog zwaarder. Voor velen is het moeilijk om de preventiemaatregelen te aanvaarden’, zegt Alex Bonane Murutsi aan de telefoon vanuit Bunia. De Congolese arts werkt in het ebolacentrum in de grootste stad van de woelige provincie Ituri in Oost-Congo.

Hij zag sommige families zich verzetten tegen veilige begrafenissen, en mensen die besmet zijn geweest uitgesloten of bespot worden. ‘Aanvankelijk werd er volgens mij onvoldoende gecommuniceerd, waardoor de bevolking niet altijd begreep waarom een bepaalde maatregel nodig was’, legt hij uit.

Dat leidt soms tot geweld. Een collega van dr. Bonane Murutsi werkte in een medische buitenpost op het platteland, waar een patiënt met bloedingen werd binnengebracht. Toen de arts zijn vermoeden van ebola uitsprak, werden de begeleiders woedend. Ze beweerden dat er in hun dorp geen ebola bestond en beschuldigden het zorgpersoneel ervan de ziekte binnen te brengen. De dokter werd hardhandig aangepakt en moest vluchten.

Maar hij benadrukt dat dit niet overal gebeurt. In Bunia is het vertrouwen groter omdat lokale zorgverleners de bevolking informeren. ‘Mensen kennen ons, en we nemen de tijd om uit te leggen waarom bepaalde maatregelen nodig zijn. Je wint hun vertrouwen niet door alleen maar instructies te geven, je moet het gesprek aangaan’, aldus dr. Bonane Murutsi.

De aanwezigheid van gewapende milities speelt nog een grotere rol. Buiten de grote steden zijn er veel no-gozones, waar zieken niet getest of behandeld kunnen worden. Contactopsporing is een cruciale pijler van ebolabestrijding. Van elk nieuw bevestigd geval moet in principe onmiddellijk iedereen die ermee in contact is gekomen opgespoord worden. De huidige veiligheidssituatie laat dat echter niet toe, dus duikt het virus steeds op nieuwe plekken op. Dat er miljoenen mensen op de vlucht zijn in Oost-Congo werkt de verspreiding verder in de hand.

‘Toen ik er werkte, konden we maar een fractie van de patiënten aan bekende besmettingshaarden linken’, vertelt dr. Emily Vandamme in een Gentse koffiebar, waar we haar spreken na haar terugkomst. ‘Dan weet je dat er besmettingshaarden zijn die je niet in kaart hebt gebracht, wat logisch is als hele gebieden onbereikbaar zijn.’

Het zwakke gezondheidssysteem in de DRC maakt de crisis compleet. Omdat de eerste symptomen op malaria of tyfus lijken, werden ebolabesmettingen in onderbemande en slecht uitgeruste gezondheidscentra vaak te laat herkend. Het virus kon maandenlang onopgemerkt circuleren. Nadat de uitbraak in mei officieel werd vastgesteld, duurde het nog maanden voor de testcapaciteit op peil was.

Zo gruwelijk het ziekteverloop is voor wie besmet raakt, zo slopend is de strijd tegen ebola voor zorgverleners.

Patiënten moeten vaak uren over moeilijk begaanbare wegen reizen om een behandelcentrum te bereiken. Omgekeerd raken medicijnen en materiaal nauwelijks in de juiste omstandigheden in de dorpen. Daarbovenop worden artsen en verpleegkundigen geregeld maandenlang niet betaald, wat zelfs tijdens deze epidemie leidde tot stakingen en artsen die in privéziekenhuizen gaan werken.

Internationale donoren schroefden de voorbije jaren hun steun sterk terug. Vorig jaar was het humanitaire noodhulpplan van de Verenigde Naties voor Congo amper voor een kwart gefinancierd.

Jeremy Konyndy, die in 2014 de Amerikaanse respons op de ebola-uitbraak in de DRC leidde en nu topman is van Refugees International, wijst in een opiniestuk voor Zeteo op de rol van de ontmanteling van USAID bij de laattijdige detectie. Het Amerikaans ontwikkelingsagentschap stond in voor de snelle respons- en detectie-eenheden, de zogenaamde DART-teams. Door hun afwezigheid werkte het waarschuwingssysteem niet meer en kon het virus van februari tot mei ongemerkt rondgaan in de gemeenschap. Het droeg volgens hem ook bij tot tekorten aan beschermingsmateriaal en logistieke capaciteit om labmonsters te analyseren en tests uit te voeren.

Epidemioloog Alain Casseus, hoofd van de toonaangevende hulporganisatie Partners In Health, stelt in een essay dat de sluiting van USAID extra hard aankwam omdat donors, zoals het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk en Canada, tegelijkertijd hun budgetten verlaagden. Bovendien schroefden andere Europese landen hun hulp eveneens terug, zodat niemand dat gat kon opvullen. Volgens hem staan het Congolese ministerie van Gezondheid en het Afrikaanse agentschap Africa CDC (Africa Centres for Disease Control and Prevention) er nu grotendeels alleen voor om deze complexe uitbraak te bestrijden met veel minder middelen en materiaal.

In het behandelcentrum in Bunia legde het zorgpersoneel op een bepaald moment ook het werk neer. ‘Dat personeel neemt enorme risico’s om mensen te helpen en moet tegelijk een gezin onderhouden. Dat ze dan moeten vechten om hun loon te krijgen, is bijzonder moeilijk te aanvaarden’, vindt Vandamme.

Wanneer ebola hard toeslaat in zo’n fragiel systeem, komt ook de gewone zorg onder druk te staan. Mensen mijden ziekenhuizen uit angst voor besmetting, waardoor ze noodzakelijke controles of vaccinaties missen. Een hoogzwangere vrouw die voordien plichtbewust op prenatale consultatie ging, was daarmee gestopt toen de uitbraak begon. Toen ze hevig begon te braken en zware hoofdpijn kreeg, belandde ze op de spoeddienst.

‘Omdat die symptomen ook op ebola kunnen wijzen, wou het ziekenhuis haar niet behandelen voor ze door ons virusvrij verklaard was’, vertelt Vandamme. De test kwam snel negatief terug en de vrouw kon op tijd opgenomen worden. Ze bleek zwangerschapsvergiftiging te hebben, een levensbedreigende complicatie die onmiddellijke interventie vereist. ‘Dat had evengoed fout kunnen aflopen. Hoeveel mensen op die manier indirect overlijden weten we niet, maar die impact moet enorm zijn.’

Onderzoek toont aan dat bij epidemieën in zwakke zorgsystemen vaak evenveel mensen sterven aan behandelbare aandoeningen – zoals malaria of blindedarmontsteking – als aan het virus zelf.

Een verpleger controleert of de beschermende kledij van een collega correct is aangetrokken.

Iedereen die beschermende kledij aantrekt, wordt bijgestaan ​​door een collega om te waarborgen dat alles correct op zijn plek zit en dat de persoon in kwestie goed beschermd is. Het is die dag warm, wat kan leiden tot een verslapping van de concentratie – iets wat het team in gevaar zou kunnen brengen. Hulp van een collega is daarom essentieel.

Van arts tot patiënt

Ebola ontneemt iemands waardigheid. De eerste symptomen zijn aanhoudend braken of hevige diarree, vaak in combinatie met hoge koorts en zware vermoeidheid. Patiënten drogen in sneltempo uit en moeten op anderen rekenen om hen te wassen. Ondertussen richt het virus in het lichaam een ware ravage aan. Het breekt de binnenlaag van bloedvaten af en ontregelt de bloedstolling. Hierdoor worden de vaten poreus en gaan ze lekken, wat inwendige bloedingen kan veroorzaken. In een vergevorderd stadium bloeden patiënten uit hun oogballen, in de maag of hebben ze bloed in de urine.

De combinatie van zwaar vochtverlies, weefselschade en zuurstoftekort leidt uiteindelijk tot orgaanfalen en mogelijk de dood.

Alex Murutsi weet dat als geen ander. Niet enkel omdat hij geneeskunde studeerde, maar omdat hij zelf bijna in de statistieken belandde. De Congolese arts raakte besmet tijdens een spoedkeizersnede, toen hij werkzaam was in een privéziekenhuis elders in de provincie Ituri. De zwangere vrouw was binnengebracht met ernstige complicaties, hevig bloedend en brakend. Tijdens de operatie kwam hij in aanraking met haar bloed en vruchtwater, zonder te weten dat ze besmet was met de Bundibugyo-variant. Dat werd pas dagen later duidelijk.

Een collega die hem tijdens de ingreep assisteerde, overleed twee weken erna. Zelf belandde hij in het behandelcentrum in Bunia, waar hij achttien dagen lang voor zijn leven vocht. ‘Het was zonder twijfel de zwaarste periode uit mijn leven’, vertelt hij. Vier dagen had hij extra zuurstof nodig, zeven dagen kampte hij met ernstige bloedingen. ‘Ik bloedde uit mijn ogen, hoestte bloed op en er zat bloed in mijn urine. Ik had voortdurend diarree en braakneigingen. Mijn vitale parameters gingen achteruit en ik voelde dat mijn toestand steeds ernstiger werd.’

Zijn medische kennis was op dat moment meer een vloek dan een zegen. Als arts was hij doordrongen van het besef dat zijn ziekte snel de onomkeerbare fase naderde. ‘Ik wenste dat ik geen geneeskunde had gestudeerd, want ik wist donders goed dat mijn overlevingskansen op dat moment heel klein waren. Plots stond ik niet meer aan het ziekbed, maar was ik zelf patiënt. Alleen kon ik precies volgen hoe mijn lichaam aftakelde. Even verloor ik alle hoop’, zegt hij bedeesd, alsof hij zich schaamt voor die gedachte.

Toen kwam het keerpunt. ‘Ik was arts geworden om anderen te helpen. Waarom zou ik die opdracht opgeven nu mensen mij het hardst nodig hadden?’, dacht hij. Voor zover zijn toestand het toeliet, begon hij medepatiënten advies te geven. Hij legde hen uit waarom ze moesten eten en drinken, ook als hun lichaam dat weigerde. Wie de isolatietent mocht verlaten gaf hij revalidatietips. Hij putte kracht uit het feit dat hij nog iets kon betekenen voor zijn gemeenschap. ‘Het gaf mij een reden om vol te houden’, zegt hij stellig.

Na zijn herstel zegde hij zijn goedbetaalde job in de privékliniek op en ging aan de slag in het behandelcentrum waar hij de dood in de ogen gekeken had. ‘Ik denk dat de ziekte mij gekozen heeft’, vertelt Murutsi. Zijn ervaring maakte van hem een betere geneesheer. ‘Ik begrijp mijn patiënten op een manier die ik vroeger niet kon’, gaat hij verder. Als iemand boos reageert of niet wil eten begrijpt hij hoe dat voelt. Hij kan ook aan zijn collega’s uitleggen waarom een patiënt op een bepaalde manier reageert en hoe ze dat kunnen aanpakken. ‘Het heeft mijn manier van zorgen veranderd. Ik heb meer geduld en meer begrip. Door wat ik meemaakte heb ik een bijzondere band met mijn patiënten gekregen.’

Verdriet en veerkracht

Zo gruwelijk het ziekteverloop is voor wie besmet raakt, zo slopend is de de strijd tegen ebola voor zorgverleners. Het verhaal van Chance illustreert hoe snel een nakende overwinning kan omslaan in een nederlaag. Emily Vandamme werkte vorig jaar op de spoeddienst van het Al Aqsa-ziekenhuis in de Gazastrook, en eerder tussen extreem bendegeweld in Port-au-Prince, Haïti. ‘Toch was dit mijn meest heftige opdracht ooit’, vertelt ze. ‘Ik heb op één dag nog nooit zoveel mensen zien overlijden die ik kort daarvoor nog levend had gezien.’

Vijf kinderen die ze behandelde lagen naast hun vader of moeder in bed terwijl die brakend en bloedend stierven. ‘Sommige kindjes bleven maar naast hun overleden ouder liggen om hen te knuffelen, tegen beter weten in. Ebola laat enorm veel kinderen als wees achter’, mijmert ze.

In de isolatietenten ervaarde ze een bijzondere mengeling van verdriet en veerkracht, wat ze illustreert met het verhaal van de veertigjarige Ruth. Half juli werd zij opgenomen met haar twee kleinzonen van drie en zes jaar oud. Hun beide ouders waren thuis gestorven, vermoedelijk aan ebola.

De jongste knul was er erg aan toe en bezweek na twee dagen. ‘Ruth besefte dat ze misschien haar hele familie zou verliezen, dus we zetten alles op alles om de oudste broer te redden’, zegt Vandamme. Maar al snel wilde hij niet meer eten of drinken. ‘We wisten niet of het door de ziekte kwam of door het verdriet om zijn broer, die vlak naast hem gestorven was.’ Toen ook hij overleed was Ruth kapot van verdriet. Toch dwong ze zichzelf om te eten en rehydratatiezout in te nemen, want blijkbaar wachtte er thuis nog een derde kleinkind op haar, een baby van drie maanden. Daarom weigerde ze ten stelligste om zich over te geven aan haar verdriet.

‘Een paar dagen later liep ik langs haar tent. Ze stak haar duim op en zei: “Merci beaucoup.”’ De spoedarts is zichtbaar aangedaan door de herinnering. ‘We hadden haar twee kleinzonen niet kunnen redden, maar toch was ze ons dankbaar.’

Selfie van dr. Emily Vandamme met enkele collega's in het ebolabehandelcentrum in Bunia. Links op de foto staat Alex Bonane Murutsi.

Alex Bonane Murutsi (links) en Emily Vandamme (rechts) in het ebolabehandelcentrum Elikya in Bunia.

Gezichtsloze wezens

Zorgverleners in Elikya, zoals het behandelcentrum heet, worden elke dag geconfronteerd met menselijk leed. De mentale tol is zwaar. De dikke beschermingspakken die ze in de isolatietenten moeten dragen, drijven hen fysiek tot het uiterste.

Het ebolavirus verspreidt zich niet via de lucht, maar via lichaamssappen. Daarom dragen artsen en verpleegkundigen in de rode zone, waar besmette patiënten liggen, zware waterafstotende pakken die het hele lichaam bedekken, FFP2-maskers, veiligheidsbrillen en minstens twee paar rubberen handschoenen.

Dr. Vandamme beschrijft hoe de hitte onmiddellijk na het aantrekken ondraaglijk wordt en na enkele minuten haar veiligheidsbril beslaat. Door de dikke handschoenen heeft ze nauwelijks tastgevoel, terwijl ze infusen moet steken en navelstrengen moet doorknippen.

‘Je moet voortdurend je energie sparen of je verliest je concentratievermogen. Je valt terug op je ervaring en op vaste routines’, vertelt de spoedarts. In die omstandigheden mogen artsen maximaal anderhalf uur binnenblijven. Daarna is hun masker verzadigd, wat het virus een mogelijkheid geeft om binnen te dringen.

‘Vaak wil je nog een noodsituatie oplossen, maar kan je niet meer helder denken en ben je niet langer volledig beschermd. Dan moet je voor je eigen veiligheid kiezen. Dat is moeilijk, zeker wanneer er te weinig personeel is om je af te lossen’, legt ze uit. ‘In dat ene uur maak je dingen mee die je in een andere werkomgeving vaak in een maand niet ziet.’

Tijd voor een geruststellend woord of een knuffel is er amper. Voor doodsbange ebolapatiënten lijken de hulpverleners wel gezichtsloze wezens in gele ruimtepakken, die snel weer verdwijnen. Die emotionele afstand vond Vandamme het zwaarst aan haar missie. 'Normaal probeer ik wat langer bij iemand te blijven, een hand vast te houden of even over iets anders te praten. Nu moest alles zo efficiënt mogelijk gebeuren.’

Drie in beschermende kledij geklede verplegers staan voor een roodgeverfd huis

Voor doodsbange ebolapatiënten lijken de hulpverleners wel gezichtsloze wezens in gele ruimtepakken, die snel weer verdwijnen.

Van zieke tot zorgverlener

De isolatie weegt zwaar op de patiënten, vooral op de kinderen. Maar elikya betekent “hoop” in het Lingala. ‘We kregen kinderen binnen die helemaal alleen waren. Soms hadden ze vrijwel hun hele familie verloren’, vertelt Alex Murutsi. ‘Daarom hebben we een systeem opgezet waarbij mensen die ebola hebben overleefd, andere patiënten ondersteunen.’

Overlevers hebben antistoffen tegen het virus opgebouwd en zijn immuun tegen herbesmetting. Als zogenaamde gardes-malades keren sommigen vrijwillig terug naar de besmette zone. Als surrogaatouders troosten en verzorgen ze wees geworden kinderen, wassen ze patiënten die dat zelf niet meer kunnen, of slaan gewoon een babbeltje en houden de sfeer erin. Ze geven patiënten de menselijke warmte die het overbelaste zorgpersoneel niet kan bieden.

‘In de pediatrische tent zijn ze van levensbelang’, zegt de arts. ‘Het is een manier om patiënten die anders helemaal alleen zouden zijn, toch nabijheid en praktische zorg te bieden.’ Het is een medische innovatie die tijdens deze uitbraak voor het eerst werd ingevoerd, en volgens Alex voorlopig uniek voor Congo is.

Hilde De Clerck van het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen doet in Oost-Congo koortsachtig onderzoek naar geneesmiddelen tegen de Bundibugyo-variant. De veterane in de strijd tegen ebola stond al meermaals in de frontlinie. Als clinicus en epidemioloog bekampt ze al bijna twintig jaar het virus.

Volgens haar is het systeem van de gardes-malades een sprekend voorbeeld van het belang van de lokale gemeenschap bij het bestrijden van een ebola-epidemie.

‘We weten al heel lang dat je een ebola-epidemie niet met één maatregel onder controle krijgt’, vertelt ze aan de telefoon vanuit Bunia. ‘Natuurlijk is patiëntenzorg en wetenschappelijk onderzoek nodig, maar het is slechts een deel van het verhaal. Contactopsporing, surveillance en de lokale gemeenschap informeren en versterken zijn even cruciale pijlers.’

Om contacten snel op te sporen en mensen met symptomen tijdig te herkennen, heb je lokale medewerkers nodig, legt De Clerck uit. Zij gaan naar de dorpen, spreken de bewoners aan in hun taal, brengen sociale netwerken in kaart en volgen risicocontacten op.

‘Dat gemeenschapswerk draait nu op een veel te laag pitje’, aldus de epidemioloog. ‘Het voorbeeld van de gardes-malades is alvast hoopgevend. Ik zie de voorbije weken ook een verschuiving bij het Congolese ministerie van Volksgezondheid, dat meer mensen inzet op surveillance.’

De Clerck vindt dat Congo de leiding moet nemen in de bestrijding van deze epidemie, met Europese steun in de vorm van kennis en ervaren teams. ‘De besparingen van Europese donors en het wegvallen van USAID hebben wel een effect gehad, maar met geld alleen los je het tekort aan ervaren mensen en goed georganiseerde teams niet op.’

Dokter Alex Murutsi hoopt vooral op meer aandacht voor deze onderbelichte crises in Oost-Congo. ‘Dit dreigt ondergesneeuwd te worden, maar de ziekte is nog niet verdwenen. We mogen onze inspanningen niet terugschroeven. En we moeten vooral blijven praten met de mensen voor wie we dit doen. Zonder hun vertrouwen en steun kunnen we deze strijd niet winnen.’

Word proMO*

MO* heeft geen betaalmuur en is er voor iederéén. Dat kan alleen dankzij de steun van proMO*s, want diepgravende journalistiek kost tijd en geld.

Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.

Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.

Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.

Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.

Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.

Per maand

€4,60

Betaal maandelijks via domiciliëring.

Meest gekozen

Per jaar

€60

Betaal jaarlijks via domiciliëring.

Voor één jaar

€65

Betaal voor één jaar.

Ben je al proMO*

Log dan hier in