“‘Kan ik wel tegen ongelijkheid vechten als ik zelf zo comfortabel woon?’

© Foto: Tuly Salumu / Ontwerp: MO*

© Foto: Tuly Salumu / Ontwerp: MO*
MO*columniste Tuly Salumu heeft de neiging zich voortdurend te verontschuldigen. Omdat ze in een comfortabele woning woont. In een burgerlijke straat nota bene. Kan ze dan nog geloofwaardig opkomen tegen ongelijkheid?
Ons huis ligt in een rustige straat in een buitenwijk van Gent. Het heeft een grote tuin, met een serre en een kippenhok. In de lente kijken we vanuit de woonkamer op de zuurstokroze bloemen van een Japanse kerselaar. We hebben een warmtepomp en een gevel van zwart geolied hout.
Eerlijk? Ik schaam me ervoor.
Dat besefte ik niet meteen. Na jarenlang wonen in een rijhuis op de verwaarloosde stadsring, was het een verademing om in zo’n burgerlijke straat te wonen. Geen geraas van vrachtwagens meer. Geen dieselroet op de ramen. Geen aan drugs verslaafde buren. Alleen kindergelach, vogelgezang en het schrapen van mijn gepensioneerde buurmans schuurborstel over de stoep.
Maar toen kwamen er mensen over de vloer. Onlangs nog een activist. Bij binnenkomst spatte de verwondering van haar gezicht. Dus begon ik me snel te excuseren. ‘We hebben geluk gehad…’
En dat is ook zo. We waren de prijsstijgingen op de woonmarkt door de coronacrisis net voor. Ons oude huis werd verkocht aan een goede prijs. We kregen financiële hulp van (een deel van) onze ouders.
Het begint op te vallen. Ik verontschuldig me voor mijn woonst.
Het is nochtans exact waar ik als kind van droomde. Toen schaamde ik me ook al voor mijn woonomstandigheden, maar om heel andere redenen.
Als kind van gescheiden ouders woonde ik bij mijn mama in een halfvrijstaand huis op het platteland. Een op twee weekends bracht ik door in de stad, in de bedompte sociale flat van mijn vader, waar de elektriciteit soms werd afgesloten en ik de uren telde.
De afstand die in die jaren tussen mijn vader en mij groeide, werd gematerialiseerd door de bakstenen waartussen we leefden. Ik schatte het residentiële verschil tussen ons groter in dan het verschil tussen mij en mijn klasgenootjes uit de villawijken. Aan die ongelijkheid heb ik wellicht mijn white saviour-complex te danken.
Als tienjarig meisje droomde ik niet zozeer van een grote, lichtrijke woning voor de luxe, maar voor iets anders. Ik zou mijn vader, halfbroers en halfzussen uit de miserie sleuren en hun onderdak verschaffen. Voor hen zorgen.
Nu ben ik bijna veertig en woon ik dus in zo’n ruim en helder huis. Maar met mijn man en kinderen. Niet met de familie die ik als kind voor ogen had. Mijn vader woont nog steeds in een krappe sociale flat waar de toiletbril scheef hangt en de kerstboom blijft staan tot juni.
Als schrijver en activist voelt dat wrang. Kan ik wel tegen ongelijkheid vechten als ik zelf zo comfortabel woon?
Ja, ik schrijf over thema’s als antiracisme en discriminatie. Ik geef kritiek op onze asociale regering. Maar niet zonder eerst een schijnwerper te zetten op mijn eigen privileges en tekortkomingen.
Natuurlijk kan dat. Meer zelfs: niet mijn woonomstandigheden zijn problematisch maar het feit dat ik me die vraag überhaupt stel. Ze wijst immers op een gevoel van schuld, dat ik blijkbaar per se met de hele wereld wil delen. Waarom is dat?
Volgens schrijver en cultureel antropoloog Sinan Cankaya voelen schrijvers met een migratieachtergrond de nood om hun lijden te delen alvorens ze boos kunnen worden.
‘Ik moet eerst laten zien dat ik mens ben, dat er niets is om bang voor te zijn’, zegt hij in de podcast Het Portret. ‘Dat doe ik bewust, het is onvermijdelijk, langs de andere kant probeer ik de lezer zo het verhaal binnen te smokkelen.’
Deze column zou aanvankelijk draaien om het onderzoek van UGent en VUB over discriminatie op de huurmarkt. Die is de laatste twintig jaar amper afgenomen. Ondanks praktijktesten hebben mensen met een migratieachtergrond, een beperking of een uitkering nog altijd gemiddeld 20 procent minder kans om uitgenodigd te worden door een makelaar of eigenaar voor een bezichtiging.
Maar tijdens het schrijven begon ik me andere vragen te stellen. Over mijn schrijfstijl en tekststructuur bijvoorbeeld.
Waarom voel ik de drang om de (witte) lezer eerst te lokken met ontboezemingen uit mijn persoonlijke leven? Waarom kan ik mijn column niet meteen beginnen met het maatschappelijk onrecht van huurdiscriminatie?
Door literaire motieven, dacht ik lange tijd. Ik deed het omdat persoonlijke anekdotes maatschappelijke tendensen meer invoelbaar maken voor de lezer. Nu ben ik daar niet meer zo zeker van.
Ik doe het, denk ik, omdat ik geconditioneerd ben om me ongevaarlijk op te stellen. Al van kleins af aan heb ik geleerd om me onberispelijk te gedragen. Ik had het gevoel dat ik er anders niet mocht zijn.
Een van mijn oudste herinneringen is dat ik als kleuter in de klas per ongeluk een vaas omstootte en mezelf voor de ogen van de juf begon te slaan terwijl ik alsmaar herhaalde: ‘stoute Tuly, stoute Tuly’. Dat kleine kind zit nog altijd in mij, zelfs in mijn schrijverschap.
Ja, ik schrijf over thema’s als antiracisme en discriminatie. Ik geef kritiek op onze asociale regering. Maar niet zonder eerst een schijnwerper te zetten op mijn eigen privileges en tekortkomingen. Niet zonder mezelf eerst minder spreekrecht te geven.
Het lijkt paradoxaal, maar misschien zullen andere niet-witte sociale klimmers zich hierin herkennen. Je hebt eindelijk bereikt wat je voorouders voor ogen hadden, en toch voelt genieten ervan verdacht. Alsof je met iedere stap omhoog ook iets verliest. Alsof je verantwoording verschuldigd bent aan twee werelden: de witte mensen die zich afvragen hoe je er terecht gekomen bent en de familie die niet mee omhoog kon.
Rond 1900 gaf de zwarte Amerikaanse socioloog W.E.B. Du Bois dat gevoel een naam: double consciousness. Het dubbele bewustzijn dus, van iemand die zichzelf voortdurend door de ogen van een samenleving bekijkt die hem als anders ziet. Je bent jezelf, maar ook een toeschouwer van jezelf.
Misschien is dat wat ik doe zodra iemand voor het eerst mijn huis binnenkomt. Misschien zie ik mezelf door de ogen van mijn bezoeker: schrijver, activist, moeder van kleur, bewoner van een veel te mooi huis.
Dus mompel ik: ‘We hebben geluk gehad…’
Misschien is dat de gewoonte waar ik van af moet. Niet mijn ongemak bij ongelijkheid, maar de drang om mezelf als sociale klimmer voortdurend te verontschuldigen. Want ondertussen leven we nog altijd op een woonmarkt waarop je etnische achtergrond, handicap of inkomen beslist welke voordeur voor je opengaat.
En neen, ik hoef niet eerst mijn eigen voordeur te verantwoorden voor ik daar iets over mag zeggen.
Lees ook
Word proMO*
MO* heeft geen betaalmuur en is er voor iederéén. Dat kan alleen dankzij de steun van proMO*s, want diepgravende journalistiek kost tijd en geld.
Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.
Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.
Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.
Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.
Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.
Per maand
€4,60
Betaal maandelijks via domiciliëring.
Meest gekozen
Per jaar
€60
Betaal jaarlijks via domiciliëring.
Voor één jaar
€65
Betaal voor één jaar.
Ben je al proMO*
Log dan hier in




